Denise heeft het naar haar zin in de nieuwe baan. Over het algemeen leuke collega’s en een schappelijke leidinggevende. Inhoudelijk kan ze het aan en ze is blij met haar speciale opdracht: het team in beweging krijgen.
Ze heeft zich voorgenomen om vooralsnog alleen vragen te stellen. Ze merkt dat

haar vragen goed gericht zijn. Een deel van de collega’s is er blij mee. Ze reageren enthousiast en willen meedoen. De vergaderingen zijn daardoor al een stuk effectiever. Maar een deel van de collega’s reageert niet, althans niet zoals zij wil. Ze vertonen gedrag alsof ze in de weerstand zijn geschoten en vatten dingen persoonlijk op. Vooral collega Julie lijkt op ramkoers te liggen. Denise maakt zich zorgen.

Tijdens de lunchpauze zoekt ze Leon op met wie ze goed contact heeft en die al langer bij het bedrijf werkt. “Wat zal ik doen, Leon? Ik heb geen zin in gedoe met Julie, maar ze lijkt me een stoker en straks is het bonje in het team. En weet je waar ik me het meest zorgen over maak? Dat is Van Schooten. Hij lijkt geen enkele invloed te willen uitoefenen. Hij houdt zich afzijdig, is van het harmoniemodel en ik moet wel gedekt worden. Wat denk jij?”
“Volgens mij zie je het wel goed,” antwoordt Leon. “Van Schooten is zeker geen krachtige leidinggevende. In de vorige situaties heeft hij het steeds laten lopen, net zo lang tot er iemand vertrok.”

“Dat zal ik zeker niet doen, Leon! Ik heb die opdracht gekregen en ik ga die uitvoeren en succesvol!
Ik gooi er een schepje bovenop en ga iedereen aanspreken op z’n verantwoordelijkheid. Ik wil geen conflict, dus komt het er ook niet. Als Julie dat wel wil, zal zij openlijk moeten beginnen en dan spreek ik Van Schooten er op aan.”

“Loop je niet te hard van stapel, Denise? Met stroop vang je meer, dat weet je toch? Ga gewoon door, de meesten veranderen al in gedrag. De rest volgt wel.”

“Nee, Leon, ik ga dit adequaat aanpakken. Met een slappe leidinggevende kan ik niet ook slap zijn. Dan wordt het nooit wat met dit team. We moeten het concern laten zien dat we in staat zijn ons werk aan te kunnen en dat we betrouwbaar zijn.”

Heeft Denise voldoende tact om haar daadkracht te sturen? Wordt vervolgd.