Dit verhaal is van jaren geleden. Ik had enorm ontzag voor oudere heren met status en reputatie. Ik zag mezelf niet als gelijkwaardig en leed daar onder.

De opdracht
Ik ben blij verrast als ik word gevraagd om mee te doen met een grote opdracht in het AMC ziekenhuis in Amsterdam. Alle leidinggevenden gaan getraind worden in het verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen budget en dat van hun afdeling.
Mijn collega’s zijn drie heren van midden vijftig met een academische titel en veel ervaring. Ik ben begin dertig. Van dat verschil alleen al ben ik verstijfd. Ik voel me klein, onzeker en onervaren.

Twijfel en angst
We hebben een programma ontwikkeld waarbij we, per afdeling, groepen hebben gemaakt. Per groep doet een van ons de intake met de deelnemers en maakt daarvan een verslag voor de anderen.
Als ik de verslagen van de anderen lees, zakt de moed me in de schoenen. ‘Zou ik dit wel kunnen? Ben ik daar niet nog veel te jong voor? Voor zoiets heb ik toch nog niet genoeg ervaring.’

Mijn norm
Dan is het mijn beurt. Mijn groep is nota bene ‘psychiatrie’. Dat is de moeilijkste groep, waar de opdrachtgever weerstand verwacht. Het eerste gesprek is met het hoofd van de afdeling, een rijzige man met witte haren. Hij blinkt uit in zijn vakgebied en heeft binnen de afdeling veel gezag. Ik schiet volledig in de paniek. Ik verzin voor mezelf een eindeloze reeks excuses waardoor ik de intake niet hoef te doen, slaap slecht en heb het idee dat ik ziek word. Ik krijg ook echt hoofdpijn en ben misselijk. Toch ga ik naar het gesprek omdat mijn norm dat je anderen niet in de steek laat sterker is dan mijn angst.

Verbijstering
We beginnen het gesprek met een paar inleidende uitwisselingen en dan vraag ik: ‘En waarom bent u psychiater geworden?’ ‘Derde generatie’, is zijn antwoord. Ik: ‘Ja, en waarom bent ú psychiater geworden?’
De man lijkt een tikje geïrriteerd en door mijn hoofd schiet het meteen van ‘Zie je wel, die man denkt dat ik dit niet kan, dat ik veel te jong ben. Hij ziet me niet zitten. Ik had dit ook nooit moeten aannemen. Ik ben hier nog veel te onervaren voor.’ Het huilen staat me nader dan het lachen, mijn maag trekt samen en mijn oren suizen.
Hij zegt met een iets aangezet volume: ‘Nou, derde generatie!’
‘Dat begrijp ik,’ reageer ik, ‘uw grootvader en vader waren ook psychiater. Maar dat zegt toch niks over waarom ú psychiater bent geworden? En dat wil ik graag weten. Dus, waarom bent u psychiater geworden?’
De psychiater is even stil en vraagt dan: ‘Gaat dat de hele training zo?’ Ik ben nog nooit flauwgevallen, maar het zou nu zomaar kunnen gebeuren. Ik hap naar adem en staar de man aan. Ik weet dat ik iets moet zeggen, maar ik heb geen idee wat. ‘Ja’, breng ik uit. ‘Mooi,’ zegt hij, ‘dan kom ik.’ Ik blijf in verbijstering achter.

Conclusie
Ik had geluk, het liep goed af. Wat ik ervan leerde was dat mijn overtuigingen mij op een uiterst onhandige manier in de weg zaten. Reden om ze te onderzoeken.
Overtuigingen gebaseerd op een diepgaande pijnlijke ervaring op jonge leeftijd leveren een kramp op. Iedereen heeft een kramp. De een heeft er meer last van dan de ander. Een kramp kan zich ook als een woede explosie manifesteren.
Maar je hoeft niet met een kramp te leven; je kunt vrij zijn en al je talenten ontwikkelen. Daar is het model voor Persoonlijk Autonomie voor.