Ik ben zo bang geweest dat ik eerst mijn oren nauwelijks kan geloven.
Het is goed – alles is goed!

Ik ben een soort van verdoofd. Ik zie de blije gezichten om me heen, maar zelf ben ik er nog niet.

Langzaam begint het tot me door te dringen. Dan moet ik heel hard huilen. Ik huil, heel hard en lang. Ik huil al mijn schrik en angst eruit.

Natuurlijk had ik nooit verwacht dat het mij zou overkomen. Je hoort erover, ziet films, maar dat ik ooit te horen zou krijgen: u heeft kanker. Echt niet, ik niet.

Ok, ik rook. Al jaren. Maar niet iedereen die rookt krijgt het. Natuurlijk zat iedereen tegen me aan te zeuren dat ik moest stoppen. Heb ik ook wel geprobeerd, maar ja, eigenlijk wilde ik niet echt.

Totdat ik voor iets anders een scan moet laten maken. Ze zien een vlekje op míjn long. Mijn god, ik zal nooit vergeten hoe de grond onder me verdwijnt als de huisarts belt en zegt dat ik langs moet komen. Alhoewel die verder niets zegt, begrijp ik heel goed dat er fout nieuws aankomt.

Ik ben boos op mezelf. Wat stom dat ik gerookt heb. Ik had er nooit mee moeten beginnen. Ik ben teleurgesteld in mijn lijf. Ik zorg zo goed voor mezelf. Ik eet gezond, drink weinig, sport best wel. Ik kan toch niet zomaar kanker krijgen!

Al die onderzoeken en steeds wachten op de uitslag. Ze doen wel aardig maar daar heb ik niks aan. Ik wil horen dat het goed is. Ik zie mezelf al kaal door de chemo. Ik ben vreselijk bang om zo ziek te worden. Afhankelijk te zijn. Dan kan ik niet meer werken. Niet meer voor het gezin zorgen. Hoe moet het dan?

Ik wil er niet over praten. Gewoon doen. Aan vrolijke dingen denken. Maar ik slaap slecht en heb geen trek in eten. Ik begin nu al af te vallen.

Ze gaan een punctie doen. Oh wat ben ik bang. Niemand kan me helpen. Ik weet nu wat alleen zijn is. Ik doe mijn best om alles toe te passen wat ik geleerd heb. Ademen, vertrouwen hebben, me focussen op m’n ademhaling. Het helpt wel even, maar dan slaat de angst weer toe.

M’n telefoon laat ik liggen. Alle goedbedoelde appjes helpen niet. Een enkele daargelaten. Ze proberen me op te peppen, maar dat wil ik helemaal niet. We doen hun best me te troosten, maar ik kan niet getroost worden. Als je dit niet zelf meegemaakt heb, dan heb je gewoon geen idee wat er met je gebeurt. Hoe de wereld op z’n kop staat en niets meer belangrijk is.
Alles draait om de uitslag en hoe het daarna verder moet.

En nu is daar dan eindelijk het verlossende woord. Goed! Alles is goed.
Pfff, paniek en gedoe voor niets. Nou ja.

Heel eerlijk? Nee, niet voor niets. Ik heb veel nagedacht en denk nog steeds. Ik onderzoek mezelf en mijn gevoelens. Ik  heb mezelf beter leren kennen. Gek genoeg heb ik meer vertrouwen in mijzelf. Ik heb ontdekt dat ik niet onderuit ga, dat ik niet gek wordt. Toch best wel heel geruststellend.

Tegelijkertijd heb ik geen vertrouwen in artsen, onderzoeken en ziekenhuizen. Ze weten het niet. Statistieken zijn geen mensen. Ze doen hun best, maar daar kan ik geen vertrouwen uit putten.

Mijn lijf doet pijn en ik voel me verloren. En ik ben ook best trots op mezelf. Alles loopt door elkaar. Ik heb nog wel even wat tijd nodig om weer in het gewone leven te komen. Als dat ooit weer gaat gebeuren. Want met de dood in de ogen, is er wel iets in mij verschoven.
Daar ben ik me van bewust en daar heb ik nog echt tijd voor nodig om uit te vinden hoe en wat.