Met een vriendin drink ik thee in een gezellige gelegenheid. Het is vol, vakantie. Veel kinderen die uitgelaten zijn en ouders die even met zichzelf zijn.

We praten over iets dat ogenschijnlijk niet echt belangrijk is. Uit zorg wil ik mijn vriendin duidelijk maken wat ze in die situatie zou kunnen doen. Ze reageert niet echt duidelijk en ik doe mijn best om explicieter en indringender te zijn.

We blijven goed in contact maar ik hoor aan mijn eigen stem dat ik begin te duwen. Ook merk ik dat mijn lichaam naar voren is en ineens heb ik de beleving dat mijn nek helemaal over de tafel heen gaat en mijn ogen in die van haar priemen.

Meteen trek ik terug, ga achterover in de stoel zitten, leg m’n armen op tafel en kijk even om mij heen. Als ik weer naar haar kijk, zie ik aan haar gezicht dat ze in beroering is.
“Dat heeft geraakt hé?” zeg ik. “Zat ik te dicht op je huid?”

“Nee, ja,” zegt ze, “het is lastig, ik weet niet hoe ik daar in zit. Ik denk dat ik dat een heel moeilijk onderwerp vind. Ik zit daar vast.”
Ik registreer dat ik wel dicht op haar huid zat, maar dat ze daardoor niet geraakt is. Het is de inhoud die moeilijk voor haar is.
Even leg ik mijn hand op haar arm en zeg dat ik dat wel weet en dat het goed is om er rustig over te praten. Ik krijg een warme glimlach.

We praten door en komen van haar vastzitten in het moeilijke onderwerp als vanzelf op mijn vastzitten in hetzelfde onderwerp. Dat maakt het lichter en we kunnen grappen maken en lachen.
Een aantal pogingen om van onderwerp te veranderen lopen toch terug naar hetzelfde onderwerp.

‘Nou is het klaar’ besluiten we. Het thema ligt in elk geval goed op tafel en zal zeker in onze komende gesprekken een plek hebben. We zijn blij hoe het gesprek is gegaan en kijken elkaar tevreden aan.

De wereld om ons heen komt weer tot leven. We horen en zien de andere gasten en het bedienend personeel.
De vriendelijke jongeman die ons bediende en dat zeer charmant deed, staat bij de tafel met de zes kinderen. Hij maakt zowel contact met de kinderen als met de ouders. Hij motiveert de kinderen om te tekenen die meteen enthousiast aan de slag gaan.

We rekenen af en hebben nog een praatje met de vriendelijke ober. Hij geeft ons ook weer die aandacht en zorg die we de eerste keer waardeerde en die hij ook aan de anderen geeft.
We zeggen tegen hem dat we blij worden van zijn manier van werken, contact maken en zorg geven.
Hij is verrast en straalt. “Daar ben ik blij mee dat u dat zegt. Dank u wel. Heerlijk om te horen.”

Nu zijn er drie mensen blij. Wat is het toch fijn om blijheid te creëren en te verspreiden. En zo simpel, constateren wij tevreden met onszelf en met elkaar.
Blij zijn of iemand blij maken gebeurt wanneer je als mens gezien en gehoord wordt. Erkenning krijgt voor wie je bent. Voor je kwaliteiten en je vermogens. Daarvoor hoef je alleen maar te zijn. Te zijn wie je bent.

Het bijzondere van blij zijn en blij maken is dat het zich spontaan vermenigvuldigt en verspreidt.