“We hebben een begrafenistestament gemaakt.” zeg ik tegen een vriendin.
“Jullie gaan toch nog niet dood!” Ze klinkt ontzet. “Dat hopen we niet,” reageer ik geruststellend,
“maar je weet nooit wanneer het wel gebeurt.”

Na de aanslagen zijn mijn man en ik gaan praten. Stel je voor dat je zoiets overkomt. Dat kan zomaar gebeuren. Dat blijkt wel. Wat willen we dan?
Natuurlijk wisten we wel van elkaar wat we willen t.a.v. begraven of cremeren. Maar nu raakten we daarover in een ander soort gesprek.

We spraken over zijn angst om niet echt dood te zijn en dan in een crematieoven terecht te komen.
Daarom wil hij zo lang mogelijk boven de grond blijven en dan pas begraven worden. Het is voor hem als een langzaam afstervingsproces.

Het raakte me. Het klonk als respect voor zijn leven en zijn lichaam. Zelf wil ik gecremeerd worden. Begraafplaatsen zijn enorme grond verzuurders. Zelf heb ik ook geen behoefte om naar een graf te gaan om te rouwen of te herinneren. Door ons gesprek kwamen we dichter bij elkaar en ontdekte dat het fijn zou zijn om op deze manier er ook met de kinderen over te praten. Per slot is de dood een zeker onderdeel van het leven.

“Vind je dat niet belastend voor de kinderen? Ze zijn pas tieners.” vraagt de vriendin.
“Wij doen ons best om over alles met ze te praten. Natuurlijk op een manier die bij hen aansluit. Ze krijgen alles via het nieuws mee, dus je hoeft niet de illusie te hebben dat je ze van iets weg kunt houden.”

“We hadden een crematie bijgewoond,” vervolg ik, “die zo fantastisch prettig, respectvol en stijlvol werd begeleid, dat we besloten die man eens voor een informatief gesprek uit te nodigen. We waren echt onder de indruk van wat we allemaal hoorden.

Het blijkt echt een stevig beroep te zijn, waarbij je van alles moet weten over de wet, medische en technische dingen. Zo iemand heeft regelmatig contact met de politie, justitie en medici.”

“Hoezo dat?” interrumpeert de vriendin. “Nou, als iemand plotseling dood is, mag het lichaam pas opgehaald worden als er een arts of de politie bij geweest is, om te constateren dat er geen misdrijf is gepleegd. Of als er een ongeluk is gebeurd of een zelfdoding. Reken maar dat het dan niet prettig is om de familie tegemoet te treden.”
“Ja,” vult de vriendin aan, “of als er ruzie is in de familie en de ene helft wil niet dat de andere helft in de stoet meerijdt.”

“Precies,” vervolg ik, “ En die man van het uitvaartbedrijf is zo professioneel. Hij wist op een hele prettige en respectvolle manier ons op allerlei dingen attent te maken. Het bleek dat we eigenlijk heel weinig wisten van wat er allemaal mogelijk is.

We zijn, na het gesprek met hem, samen verder gaan praten en daarna hebben we ook met de kinderen gesproken. Het hele bijzondere is dat het net was of we met elkaar een bijeenkomst organiseerde waar iedereen blij van werd. Het werd echt het maken van een mooi afscheid.
We waren er allemaal verrast door. De dood was niet meer eng of naar.”

“Wat bijzonder,” verbaasd de vriendin zich, “Ik merk dat als ik zo naar jou luister, dat ik het me zelfs wel kan voorstellen. Niemand is of hoeft verdrietig te zijn, want het is een soort verbeelding.”

“Precies, en omdat er geen emoties spelen, kun je veel makkelijker denken en verwoorden wat je graag wilt.” sluit ik aan. “En je legt niks echt vast. Het kan natuurlijk allemaal gewoon veranderen als je er anders over gaat denken.

De begrafenisondernemer is nog twee keer geweest. Hij heeft het allemaal opgeschreven, ook van de kinderen. Daarna is hij gekomen met de ‘testamenten’ . Een boekje voor elk van ons waarin het allemaal netjes gerangschikt staat.

Het grappige is dat de kinderen een soort van trots zijn op hun eigen testament.  Ze liggen nu allemaal in de kast en over een aantal jaar zullen we er weer eens naar kijken en bezien of onze ideeën en wensen veranderd zijn.
Voor nu geeft het rust en gaan we lekker door met genieten van het leven.

naam en contactgegevens van bedoelde begrafenisondernemer zijn op te vragen.